Selecteer een pagina

In het Nederlands denken we eigenlijk niet zo na over de zinsvolgorde, we weten het gewoon. De zinsvolgorde in het Engels is echter net iets anders.

Zo komen de plaats- en tijdsbepalingen helemaal voor- of achteraan in de zin. Daarnaast worden de werkwoorden bij elkaar gehouden. In het Nederlands hoeven de hulpwerkwoorden en voltooid deelwoorden helemaal niet altijd naast elkaar worden gezet. Onthoudt dat dit in het Engels dus wel zo moet.

De standaard Engelse grammatica regel voor de woordvolgorde  is: onderwerp – gezegde – lijdend voorwerp, oftewel Subject – Verb – Object.

Onderstaand tabelletje is een goed hulpmiddel bij het maken van een zin in het Engels.

Wie Doet Wat / Wie Waar Wanneer
Onderwerp Gezegde / Werkwoorden Lijdend  / Meewerkend voorwerp Plaatsbepaling Tijdsbepaling
Pete went to the neighbour next door an hour ago
I drink a cup of tea at home every day

Je ziet dus dat de tijdsbepalingen hier achteraan staan. Als je ze vooraan zet dan benadruk je ze wat meer. Een plaats- of tijdsbepaling kan nooit in het midden van een zin staan.

De zinnen in het tabelletje zijn redelijk voor de hand liggend. Ik hoor het mijn Engelse leraar nog zeggen: “Place before time”. Maar, om het nog wat complexer te maken, zijn er ook nog die andere vervelende bijwoorden die geen plaats of tijd aangeven. Waar zet je die dan neer? En hoe zit het met een bijvoeglijk naamwoord of een meewerkend voorwerp?

Bijwoorden

Een bijwoord kan op drie plaatsen staan:

  • ergens in het midden van een zin,
  • aan het begin van een zin,
  • aan het einde van een zin.

Je kunt echter niet alle bijwoorden op alle drie de plaatsen zetten. Let maar op:

Tijdsbepalingen

Tijdsbepalingen kunnen aan het begin of het einde van een zin staan, maar nooit in het midden.

Yesterday I was sick.

I was sick yesterday.

Dan zijn er ook nog bijwoorden van onbepaalde tijd (zoals soon, usually, often, completely, quite). Die staan nooit aan het begin, maar wel in het midden.

usually eat bread for lunch.

I am having lunch soon.

I am soon having lunch.

In het midden of aan het eind?

De meeste bijwoorden kun je in het midden of aan het einde van een zin zetten.

Bijwoorden die je niet in het midden van een zin kunt zetten zijn:

  • bijwoorden die aangeven hoe goed iets is gedaan
    She did that well
  • bijwoorden die een vaste tijd aangeven (zie de tijdsbepalingen hierboven)
    I did that yesterday
  • bijwoorden die een plaats aangeven
    I went home

Over het algemeen staan de bijwoorden vòòr het werkwoord.
She quickly stood up.

Maar is het werkwoord am, is, are, was of were, dan komen ze achter het werkwoord.
She is usually home

En als er hulpwerkwoorden gebruikt worden, komt het bijwoord na het eerste hulpwerkwoord.
He has always lived there

De volgorde aan het eind

Als er meerdere bijwoorden in een zin staan komen ze op een bepaalde volgorde:

  • eerst de bijwoorden die iets zeggen over het hoe.
    She ran fast
  • dan de bijwoorden die iets zeggen over het waar.
    She ran fast on the track
  • en tenslotte de bijwoorden die iets zeggen over wanneer.
    She ran fast on the track yesterday

Nooit aan het eind

Er zijn ook nog bijwoorden die nooit aan het einde van een zin kunnen staan. Deze geven een mate van (on)zekerheid aan zoals probably, definitely, perhaps en surely.
They are probably home.
Surely you know where she is.

Bijvoeglijke naamwoorden

Een bijvoeglijk naamwoord komt, net als in het Nederlands, voor het zelfstandig naamwoord. Als er meerdere bijvoeglijke naamwoorden zijn, is er een specifieke volgorde.

  • als eerste komt het bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft waarvoor iets is.
    football shoe
  • daarvoor komt het bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft waarvan iets gemaakt is.
    leather football shoe
  • daarvoor komt het bijvoeglijk naamwoord dat iets zegt over de afkomst.
    German  leather football shoe
  • daarvoor komt het bijvoeglijk naamwoord dat iets zegt over de kleur.
    black German leather football shoe
  • daarvoor (dus als eerste) komt het bijvoeglijk naamwoord dat iets zegt over de leeftijd, vorm, grootte of temperatuur. De volgorde van deze vier is vrij. an old black German leather football shoe
    ‘a big old shoe’ en ‘an old big shoe’ zijn dus allebei correct

Meewerkend voorwerp

Het meewerkend voorwerp komt in het Engels meestal voor het lijdend voorwerp. Dit meewerkend voorwerp is vrijwel altijd een persoon.
He gave his father a tie.

Het meewerkend voorwerp kan ook achter het lijdend voorwerp gezet worden. Je moet er dan wel een voorzetsel zoals for of to voor zetten.
He gave a tie to his father,  not to his mother.
Als je dit doet, dan geef je het meewerkend voorwerp wat meer nadruk.

Bij het gebruik van it komt het meewerkend voorwerp er altijd achter.
He gave it to you, not to me.

Bij de volgende werkwoorden komt er altijd to voor het het meewerkend voorwerp te staan:

  • explain
    He explained it to me
  • describe
    She described her new house to me.
  • mention
    He mentioned it to you.
  • suggest
    She suggested a new tie to him.
  • say
    I said it to you.
  • prove
    Surely you can prove this to me.

Kun je het nog volgen? Dat was een hele bak theorie. Hopelijk heb je een ‘aha’- momentje gehad. Is er iets nog niet helemaal duidelijk? Laat het me dan weten in de opmerkingen hieronder, dan probeer ik het uit te leggen.